|
Trends in de farmacie
Nr.11 februari 2012
De nieuwsbrief 'Trends in de farmacie' is een uitgave van PAOPractinet en wordt automatisch toegezonden aan abonnees en relaties van PAOPractinet en PAOFarmacie.
Hart en vaten
-
Bij de Multidisciplinaire Richtlijn Cardiovasculair risicomanagement
De NHG-Standaard Cardiovasculair Risicomanagement was gebaseerd op de gelijknamige CBO-richtlijn. Onder leiding van het NHG is nu een herziende versie uitgekomen als Multidisciplinaire Richtlijn, met inbreng van alle betrokkenen bij de inventarisatie van het cardiovasculaire risicoprofiel van een patiënt en de daaruit volgende behandeling. Op basis hiervan wordt een Landelijke Transmurale Afspraak ontwikkeld die de samenwerking tussen eerste en tweede lijn op het gebied van CVRM beschrijft. Download de richtlijn (pdf) via: www.cbo.nl Ten opzichte van de versie uit 2006 is de risicotabel veranderd. Het risico op sterfte alleen is gewijzigd in het risico op ziekte óf sterfte door hart- en vaatziekten in tien jaar. Een hoog risico is gedefinieerd als > 20 %, een matig risico als 10–20 % en een laag risico als < 10 % kans op ziekte of sterfte. De tabel is uitgebreid met cijfers voor 70-jarigen. Ook bij patiënten met diabetes mellitus (zowel type 1 als 2) of met reumatoïde artritis kan de tabel worden gebruikt, namelijk door 15 jaar op te tellen bij de actuele leeftijd van de patiënt. Het verschil in leeftijdsgrenzen tussen mannen en vrouwen is verdwenen; de grens is nu 50 jaar voor iedereen. Patiënten met een verhoogd risico op hartenvaatziekten zijn ook te traceren door een belaste familieanamnese (gedefinieerd als een eerstegraads familielid met een hartaandoening voor het 65ste levensjaar). Ook vrouwen na de menopauze die zwangerschaps –complicaties doormaakten als diabetes mellitus, toxicose of pre-eclampsie, hebben een verhoogd risico. Bij patiënten met een systolische bloeddruk > 180 mmHg of een TC/HDL-ratio > 8 is een snelle analyse en behandeling wenselijk. In het algemeen is de streefwaarde voor de systolische bloeddruk < 140 mmHg en voor het LDL-cholesterol < 2,5 mmol/l (en dus niet een verlaging met 1,0 mmol/l). De voorkeursmedicatie van antihypertensiva geldt in de eerste én tweede lijn. Na een TIA of herseninfarct zonder cardiale embolie wordt de combinatie van acetylsalicylzuur met dipyridamol aanbevolen. Zowel bij patiënten mét als zónder hart- en vaatziekten wordt als cholesterolverlager altijd gestart met simvastatine 40 mg. Er is een stappenplan voor behandeling met statines opgenomen (zie download CVRM, pag 42, tabel 7). Lees ook H&W 2012, 1:29-29
-
Statines kunnen infecties niet voorkomen
Artsen schrijven statines voor om cholesterolwaarden te verlagen en het risico op cardiovasculaire aandoeningen te beperken. Nu deze pillen ook anti-inflammatoire effecten blijken te hebben, rijst de vraag of ze wellicht nuttig zijn bij het voorkómen van infecties. Observationeel onderzoek heeft positieve resultaten laten zien, maar in een recente meta-analyse van placebogecontroleerde, gerandomiseerde studies met in totaal 30.947 patiënten wordt dit in twijfel getrokken. Er kon geen verband tussen statinegebruik en het risico op infecties worden aangetoond (2011;343:d7281). Ook de infectie gerelateerde mortaliteit verschilde niet. Een verklaring voor deze afwijkende resultaten is dat observationele studies ‘confounding’ nooit helemaal kunnen uitsluiten, aldus Van den Hoek. Zo speelt mogelijk het ‘healthy users’-effect een rol. De gedachte daarachter is dat statinegebruikers er gemiddeld een gezondere leefstijl op nahouden waardoor een vertekening van de resultaten ontstaat: niet de statine, maar de leefstijl van de gebruiker verlaagt het risico op infecties. Overigens schrijven de auteurs statinegebruik bij infecties niet helemaal af. Ze wijzen op het belang van nauwkeurige infectieregistratie en hopen op die manier subgroepen die wél baat hebben bij statines te identificeren. NTvG 2012;156:C1187.
-
Een cholesterolverlagend dieet is wél een alternatief voor statines
Eerdere studies suggereerden dat, onder strikt gecontroleerde omstandigheden, het effect van een dieet met cholesterolverlagende voedingsmiddelen net o sterk kan zijn als dat van eerstegeneratie-statines. Het langetermijneffect van zo’n dieet onder real life omstandigheden is nooit uitgezocht.
345 gezonde Canadese vrijwilligers met hyperlipidemie werden gerandomiseerd in 3 groepen. Het betrof mannen en postmenopauzale vrouwen met een laag tot intermediair cardiovasculair risico en een LDL-cholesterol tussen de 3,0-5,3 mmol/l. Mensen met lipidenverlagende medicatie werden uitgesloten. De intensieve interventiegroep kreeg in 6 maanden 7 consulten bij een diëtist en een dieet verrijkt met noten, soja, plantsterolen en viskeuze vezels. De standaard interventiegroep kreeg hetzelfde dieet, maar slechts 2 consulten, evenals de controlegroep, die een dieet met onverzadigde vetzuren kreeg. De interventiegroepen lieten beiden een significante daling van het LDL-cholesterol van ruim 13% zien, ten opzichte van een daling van 3% in de controlegroep. Het berekende 10-jaars cardiovasculaire risico daalde in de interventiegroepen met ongeveer 11% en bleef in de controlegroep vrijwel gelijk. De patiënten in alle 3 de groepen verloren evenveel gewicht. Adherentie met het dieet verbeterde niet in de groep met frequente contacten. De onderzoekspopulatie is geen afspiegeling van de normale populatie, onder andere vanwege de vrijwillige participatie en het relatief gezonde voedingspatroon bij aanvang van de studie. Mogelijk valt in een patiëntenpopulatie met een ongezonder basisdieet nog meer winst te behalen. Dit staat of valt evenwel met een adequate adherentie, die zelfs in deze onderzoeksgroep van gemotiveerde mensen al beperkt was. Niettemin is het soms ongebreidelde cynisme met betrekking tot het effect van een dieet op de cholesterolwaarde onterecht en verdient zo’n dieet overweging bij gemotiveerde patiënten. Aldus het NTvG 2011;155;A4163.
-
Meta-analyse: aspirine niet als primaire preventie
Aspirine moet niet als standaardmedicatie worden voorgeschreven om hart- en vaatziekten te voorkómen, maar zou als primaire preventie slechts voor geselecteerde patiënten aangewend moeten worden. Dat concluderen Britse onderzoekers in een vernieuwde meta-analyse in Archives of Internal Medicine (2012; epub 9 januari). Bij patiënten met een bekende cardiovasculaire ziekte wijzen meta-analyses op een gunstig effect van aspirine als middel voor secundaire preventie, maar over de balans tussen nuttige effecten en mogelijke risicovolle bijwerkingen van aspirine blijft discussie bestaan. Ook in deze meest recente meta-analyse was het verhoogde risico op significante bloedingen de voornaamste reden voor de auteurs om het standaard gebruik van aspirine bij mensen zonder bewezen hart- en vaatlijden af te raden: de kans op een bloeding lag 31% hoger bij patiënten die aspirine gebruikten. De Britten analyseerden van in totaal 102.621 deelnemers aan 9 studies het effect van aspirine op zowel cardiovasculaire ziekte als op non-cardiovasculaire ziekte en sterfte. Zoals verwacht verlaagde het gebruik van aspirine het aantal beroertes, hartinfarcten en andere cardiovasculaire gebeurtenissen met ongeveer 10%, met name door een reductie van het aantal niet-fatale hartinfarcten. De cardiovasculaire sterfte werd echter niet significant beïnvloed, en ook het positieve effect op sterfte door kanker haalde het niveau van significantie niet. Bovendien moesten om 1 cardiovasculaire gebeurtenis te voorkómen 120 patiënten behandeld worden, terwijl het voor het veroorzaken van 1 bloeding al genoeg was om 73 mensen aspirine te geven. De studie verwerpt dus het soms geventileerde idee om alle bejaarden dagelijks een aspirientje te geven. Aldus het NTvG 2012;156:C1215.
-
Clopidogrel: genotypering overbodig
Ondanks een verband tussen CYP2C19-genotype, clopidogrelmetabolisme en plaatjesaggregatie, heeft dit genotype geen invloed op het optreden van cardiovasculaire incidenten. Deze studieresultaten, [JAMA. 2011;306(24):2704], zijn nieuw voer voor de discussie over het nut van genotypering bij clopidogrel. De Amerikaanse geneesmiddelenautoriteit FDA stelde in 2009 dat voor gebruik van clopidogrel eerst bepaling van het CYP2C19-genotype nodig is. De American Heart Association en het American College of Cardiologists waren het hiermee niet eens; er was onvoldoende bewijs voor het FDA-standpunt. In een begeleidend commentaar [JAMA 2011;306(24):2727] wordt gesteld dat er te veel verwacht werd van de invloed van genetica op harde eindpunten. Er wordt een vergelijking gemaakt met geneesmiddelen als rosiglitazon die op surrogaateindpunten wel werkten, maar niet op harde eindpunten zoals morbiditeit en mortaliteit. Het is zeker niet voor het eerst dat twijfels rijzen over het nut van genotypering bij clopidogrel. Uit eerder internationaal onderzoek bleek dat de preventieve werking van clopidogrel tegen trombo-embolieën niet verschilt tussen snelle en trage metaboliseerders [BMJ 2011;343:d4588]. Lees verder PW 2012 nr4;12.
Centraal Zenuwstelsel
-
Indicatiestelling voor palliatieve sedatie
Wanneer mag palliatieve sedatie worden gestart bij een terminale patiënt? Ondanks de KNMG-richtlijn blijkt dit voor behandelaars een complexe beslissing. De voorwaarden voor palliatieve continue sedatie zijn de aanwezigheid van 1 of meer ondraaglijke en onbehandelbare (dat wil zeggen refractaire) symptomen én een geschatte levensverwachting van minder dan 2 weken. De beoordeling of een symptoom refractair is, en de inschatting van de levensverwachting blijken in de praktijk soms lastig. Bovendien is het een wijdverbreid misverstand dat de patiënt zelf kan bepalen wanneer en hoe diep hij of zij gesedeerd wordt. Palliatieve sedatie is een medische behandeling waarvoor de arts de indicatie stelt. Het is dus geen keuzemogelijkheid voor de patiënt, zoals het geval is bij euthanasie. Het doel van palliatieve sedatie is voldoende symptoomverlichting en niet bewustzijnsdaling. Intermitterende sedatie kan worden omgezet in continue sedatie; wel dient dan eerst te worden nagegaan of aan de voorwaarden is voldaan . In deze klinische les wordt vooral benadrukt dat goede voorlichting over palliatieve sedatie aan de patiënt en de naasten essentieel is. Lees deze klinische les aan de hand van twee casussen in NTvG 2012;156:A3696.
-
Antipsychotica- gebruikers: in gesprek met prof. Kahn
“In Nederland lijden ongeveer 100.000 mensen aan schizofrenie. De aandoening openbaart zich meestal op jonge leeftijd, tussen 15 en 30 jaar. Patiënten met schizofrenie hebben een afwijkende beleving van de werkelijkheid. Dit uit zich in positieve en negatieve symptomen. Wanen, hallucinaties en verwardheid, meestal de meest kenmerkende symptomen van schizofrenie, vallen onder de positieve symptomen. Bij negatieve symptomen is er sprake van bijvoorbeeld vervlakking van het gevoelsleven, energieverlies, apathie en gedachten- of spraakarmoede. Schizofrenie is een progressieve hersenziekte. In tegenstelling tot wat men vroeger dacht is het niet alleen een aangeboren hersenafwijking Naast erfelijkheid (70%) spelen omgevingsfactoren ook een rol. Zo is cannabisgebruik een bekende uitlokkende factor. Verschillende meta-analyses laten zien dat de middelen amisulpiride, olanzapine, clozapine en ook risperidon het meest effectief zijn. Maar er is niet echt een middel van eerste keuze aan te wijzen. Behandelaren kiezen meestal een middel waar ze goede ervaringen mee hebben. Wel is het zo dat de atypische middelen beter worden verdragen dan de klassieke antipsychotica. Extrapiramidale verschijnselen, zoals acathisie en acute dystonie, komen bij de laatste categorie vaak voor. De beschikbare middelen om psychoses te behandelen zijn zeer effectief. De number needed to treat is twee of drie. Toch zijn deze antipsychotica verre van ideaal. Naast de bekende bijwerkingen, zoals obesitas en diabetes, worden veel verschijnselen van schizofrenie namelijk niet beïnvloed door deze middelen. Zo wordt de cognitieve achteruitgang niet aangepakt, is de werking op de negatieve symptomen niet groot – de nieuwere atypische middelen scoren op dit vlak iets beter – en verbetert het algemeen functioneren van de patiënten nauwelijks. Therapietrouw is erg belangrijk bij antipsychotica. In de praktijk blijken psychotische recidieven geregeld voor te komen met vaak een acute opname tot gevolg. Dat heeft dan voornamelijk te maken met de slechte therapietrouw van patiënten”. Kahn denkt dat apothekers hier een mooie rol in kunnen spelen omdat zij het beste zicht hebben op het afhaalgedrag van de schizofrene patiënt. “Mochten apothekers ontrouw signaleren dan kunnen zij dit het beste met de behandelaar opnemen. Het is voor een apotheker aan de balie moeilijk in te schatten of de patiënt de boodschap helemaal meekrijgt.” Lees verder in PW 2012; nr 1: blz 10
-
Afkicken van alcohol: de terugval verkleinen met een viertal geneesmiddelen
In Nederland drinken 8.5 miljoen mensen alcohol. Ruim 80.000 mensen daarvan voldoen aan de criteria voor alcoholverslaving. Een aantal geneesmiddelen kunnen worden gebruikt om de kans op terugval bij een afkickprogramma. Acamprosaat is een GABA-agonist en glutamaatantagonist die de behoefte aan alcohol vermindert (‘craving’). De aanbevolen behandelduur is 1 jaar. Disulfiram is een irreversibele remmer van het enzym aldehydedehydrogenase. Deze is betrokken bij de afbraak van alcohol. Bij inname van alcohol ontstaat ophoping van acetaldehyde, wat leidt tot symptomen als een warm gevoel, misselijkheid en angst. Het is een afschrikwekkend middel en heeft geen invloed op blijvende onthouding. Logischerwijs is therapietrouw een groot probleem. Naltrexon is een langwerkende opioïdereceptorantagonist. Kennelijk speelt het opioïdesysteem ook een rol bij alcoholverslaving. Hierdoor vermindert het de ‘craving’ op een andere manier dan acamprosaat en kunnen beide middelen worden gecombineerd. Het lijkt alleen effecten op de korte termijn te hebben (enkele maanden). Topiramaat wordt soms off-label toegepast, maar er is nog te weinig bewijs en de bijwerkingen zijn aanzienlijk. Acamprosaat en naltrexon zijn middelen van eerste keus om terugval bij alcoholverslaving te voorkomen. Beiden kunnen worden gestart tijdens de ‘detox’. Disulfiram is een middel van tweede keus. Het is minder veilig en moet alleen onder toezicht worden toegepast. Lees verder PW 2012; nr 1:19.
Oncologie
-
Chemopreventie van borstkanker
Diverse trials bij gezonde vrouwen met een matig verhoogd borstkankerrisico laten zien dat het gebruik van de oestrogeenreceptor-modulatoren tamoxifen en raloxifeen gedurende 5 jaar, het risico op borstkanker halveert. Deze winst wordt grotendeels teniet gedaan door het optreden van ernstige bijwerkingen: voornamelijk een verdubbeling van het risico op endometriumkanker en trombo-embolische aandoeningen. Grofweg betekent het gebruik van deze medicatie bij 1000 gebruiksters: 15 minder mammacarcinomen, maar 6 extra endometriumcarcinomen, 9 extra trombo-embolische aandoeningen en veel overgangsklachten tijdens het gebruik. Dit ongunstige toxiciteitsprofiel is mede de oorzaak dat Amerikaanse vrouwen – die normaliter sneller geneigd zijn tot medicatiegebruik dan Europese vrouwen – aangeven niet warm te lopen voor deze preventieve behandeling. Een doorbraak is er misschien in de vorm van aromataseremmers. Deze blijken effectiever en veiliger dan tamoxifen in het voorkómen van borstkankerrecidieven bij postmenopauzale vrouwen. Aromataseremmers, zoals bijvoorbeeld exemestaan verlagen de oestrogeenconcentratie in het bloed door het remmen van de activiteit van het enzym aromatase, en daarmee de omzetting van androgenen in oestrogenen. In een commentaar wordt vastgesteld dat het te vroeg is om op grote schaal te beginnen met exemestaan. Gezien de kleine aantallen en de korte follow-up is nog niet bekend hoe de verhouding tussen de effectiviteit en de bijwerkingen (met name die van het bewegingsapparaat) op langere termijn is. Ook is onduidelijk wat de optimale gebruiksduur is en bij welke leeftijdsgroepen en bij welke risicoprofielen (bijvoorbeeld draagsters van een genetische mutatie, familiaire belasting of hoge mammografische densiteit) chemopreventie het meest effectief zou zijn. Tot slot kunnen bewezen effectieve interventies alleen geïmplementeerd worden wanneer zij ook kosteneffectief zijn. Toch wordt aangegeven dat de toepassing van deze chemopreventie van borstkanker,- vooralsnog in studieverband-, mogelijk dichterbij komt. Lees verder NTvG 2012;156:A4217.
Endocrien
-
Attentie bij kinderwens van de diabetespatiënt
Bij zwangere vrouwen met diabetes is een goede bloedglucoseregulatie schipperen tussen twee klippen. Te hoge bloedglucosespiegels geven risico op aangeboren afwijkingen. Te scherp instellen geeft weer risico op hypoglykemieën. “Een goede voorbereiding op de zwangerschap is daarom nodig.” Aldus endocrinoloog Dr. De Valk. Een goede glucoseregulatie is van belang om aangeboren afwijkingen bij kinderen te voorkomen. De meest voorkomende structurele afwijkingen bij diabetische zwangeren zijn hartafwijkingen, urogenitale afwijkingen en neuralebuisdefecten. Het risico op een open ruggetje is verhoogd, ook al slikken de vrouwen foliumzuur. Slechte instelling van de bloedglucosespiegel verhoogt het risico op een aangeboren afwijking drie- tot viermaal. Ingewikkeld is de behandeling van diabetes type 2, zegt De Valk. “Zwangere vrouwen met diabetes type 2 zijn ouder. Daarnaast slikken zij vaak al een hoop medicatie zoals ACE-remmers, cholesterolremmers, diuretica en andere middelen. Sommigen gebruiken prednison. Wat gaan we dan doen, als zo iemand zwanger wordt?” Lees dit waardevolle overzicht in PW 2012; nr 5:10.
-
NHG-Standaard Anticonceptie en het FTO
De nieuwe NHG-Standaard bevat aanknopingspunten voor het FTO, volgens apotheker Wilma Kwee. Apothekers kunnen met huisartsen overleggen wat te doen bij vrouwen die de pil met cyproteronacetaat gebruiken. Moeten die allemaal omgezet worden op de tweedegeneratiepil? Een ander onderwerp is het volgen van vrouwen van 35 jaar en ouder die de pil gebruiken. Maar hoe kom je erachter of ze roken? Wellicht is het een optie om deze groep patiënten in samenspraak met de huisarts voorlichting te geven. Ook kunnen apothekers en huisartsen afspraken maken over hoe om te gaan met pilgebruikster ouder dan 50 jaar. Je kunt niet zomaar in al deze gevallen de pil stoppen. Sommige vrouwen gebruiken de pil bijvoorbeeld om extra bloedingen in de overgang tegen te gaan. Alertheid is nodig bij heparinegebruik en borstkankermedicatie, volgens Kwee. Vrouwen die de pil slikken en heparines gebruiken hebben mogelijk trombose. Het is dan niet verstandig de pil te slikken. Ook bij borstkanker is de pil gecontra-indiceerd. Apothekers kunnen hieraan tijdens een uitgiftegeprek aandacht besteden. Een ander onderwerp voor het FTO zijn interacties met de pil. De NHG-Standaard vermeldt slechts een beperkt aantal. Lees verder PW 2012; nr 5:30
Divers
-
Jaaroverzicht GeBu: wat heeft ons 2011 gebracht
Ook dit jaar zijn er vrijwel geen nieuwe geneesmiddelen voor de eerste lijn uit de pijplijn van de farmaceutische industrie gekomen. De nadruk van dit overzicht ligt vooral op de rubriek bijwerkingen. Een tweetal opmerkelijke: a) In de UK werd de associatie onderzocht tussen het gebruik van antidepressiva en bijwerkingen bij patiënten van 65 jaar en ouder met een nieuwe depressie-episode. De belangrijkste bijwerkingen die werden gevolgd waren overlijden, vallen, hyponatriemie, fractuur, myocardinfarct en suïcide. Geconcludeerd werd dat SSRI’s in vergelijking met TCA een hoger risico hadden. Het bijwerkingenpatroonvan TCA’s lijkt dus voor deze parameters minder slecht dan altijd wordt vermoed. Wel is het zo dat de anticholinerge bijwerkingen niet werden betrokken in deze studie; b) Citalopram mag niet meer worden gebruikt in doseringen hoger dan 40 mg per dag vanwege een verlenging van het QT-interval. Voor ouderen en patiënten met een verminderde leverfunctie is de maximumdosering 20 mg per dag. Onlangs is nu ook gemeld dat escitalopram geassocieerd is met QT-verlenging. Vooralsnog zijn deze doseringen ongewijzigd. Lees verder GeBu 2012;46:1.
-
Geneesmiddeladvertenties in het NTvG en het PW: niet altijd evidence based
De farmaceutische industrie refereert in geneesmiddeladvertenties regelmatig naar gepubliceerd wetenschappelijk onderzoek. Uit onderzoek naar geneesmiddeladvertenties in internationale tijdschriften voor artsen blijkt dat de betrouwbaarheid van deze geneesmiddeladvertenties vaak tegenvalt. De kwaliteit, validiteit en betrouwbaarheid van geneesmiddeladvertenties en de RCT’s werd onderzocht in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (NTvG) en het Pharmaceutisch Weekblad (PW). De onderbouwing van veel claims in advertenties in het NTvG en het PW was matig. De advertenties in de 2 tijdschriften verschilden hierin niet van elkaar. Er ligt een duidelijke eigen verantwoordelijkheid bij de lezer en voorschrijver van medicatie om zelf te bepalen hoe betrouwbaar een geneesmiddelenadvertentie is. Aldus het NTvG 2012;156:A3999.
-
Broomfenac (Yellox®) meer compliance door minder druppelen?
Postoperatieve ontsteking en pijn na cataractextractie worden door oogartsen in Nederland steeds vaker behandeld met NSAID-bevattende oogdruppels zoals diclofenac, indometacine, keterolac en nepafenac. Een nieuwe NSAID-bevattende oogdruppel die sinds september 2011 op de markt is gekomen in Nederland, is broomfenac (Yellox®). In tegenstelling tot bovengenoemde preparaten, die drie- (en soms tot vijf-) maal daags moeten worden toegediend, heeft broomfenac een gunstiger doseringsschema van tweemaal daags één druppel. Effect en bijwerkingen zijn ten opzichte van de andere NSAID-bevattende oogdruppels gelijk, waardoor met dit nieuwe middel weinig nieuws onder de zon is. Aldus Pharma Selecta 2012;28:3-5.
-
Pruritus bij leverziekten : pathogenese en behandeling
Jeuk is een ernstig symptoom van cholestatische lever- en galwegziekten. Het kan een grote invloed hebben op de kwaliteit van leven van de betrokken patiënten. Bij de inductie van pruritus spelen galzouten, histamine, progesteron-metabolieten en opioïden mogelijk een rol, maar een relatie van deze factoren met de jeukintensiteit is nooit aangetoond. De huidige standaard voor behandeling berust op achtereenvolgens binding van galzouten door colestyramine, beïnvloeding van het metabolisme van pruritogenen door rifampicine en beïnvloeding van de jeukperceptie door de opioïde-antagonist naltrexon en de SSRI sertraline. Experimentele behandelingen als uv-lichttherapie of nasobiliaire drainage kunnen bij sommige patiënten ondraaglijke jeuk al dan niet tijdelijk verminderen. Lees verder NTvG 2011;155:A4045.
-
Voedingssupplementen bij ouderen veroorzaken mogelijk oversterfte
De onderzoeksvraag was hier wat de effecten zijn van diverse voedingssupplementen op mortaliteit. In een observationele longitudinale studie werden 38.772 oudere vrouwen (gemiddelde leeftijd: 62 jaar) 22 jaar gevolgd. In vragenlijsten werd niet alleen het gebruik van voedingssupplementen vastgesteld, maar werd tevens informatie verkregen over voedingspatronen, risicofactoren en comorbiditeit. De meeste supplementen hadden geen aantoonbaar effect op het sterfterisico. Er waren er echter een aantal die, gecorrigeerd voor het voedingspatroon en het risicoprofiel, het sterfterisico statistisch significant deden toenemen: multivitaminen, vitamine B6, foliumzuur, ijzer, magnesium, zink en koper. Alleen het gebruik van calcium leek enig beschermend effect te hebben. Niet alleen op epidemiologisch niveau, maar ook op grond van inzichten uit de pathobiologie kan men beredeneren dat voedingssupplementen kwaad kunnen. In theorie kan schaarste aan vitamine B in het lichaam immers beschermen tegen proliferatie en inflammatie, en oxidatieve stress (waar onder andere ijzer een rol in speelt) zou ons op oudere leeftijd weleens kunnen beschermen in plaats van schaden. De consequenties voor de praktijk zijn simpel: eet de gevarieerde voeding en neem geen supplementen, behalve om een aangetoond ernstig tekort aan te vullen. Aldus NTvG 2011;155:A4320.
Nascholing
-
Patiëntenzorg
► 20 maart – Interacties (Utrecht)
Openbare apothekers hebben voortdurend te maken met medicatie-bewakingssystemen. Ook ziekenhuisapotheken zullen steeds meer te maken krijgen met medicatiebewakingssignalen.
Voor het beoordelen van de relevantie van een interactiesignaal is echter inzicht nodig in de farmacologische achtergronden. Ook is het aanbieden van alternatieven niet mogelijk zonder begrip van het hoe en waarom van een bepaald alarmsignaal. In deze cursus zal, aan de hand van praktijkvoorbeelden, worden ingegaan op een aantal belangrijke farmacokinetische en farmacodynamische interacties.
-
Management
► 21 maart – Tijdsmanagement voor apothekers (Utrecht)
Onderwerpen o.a. de persoonlijke invloedsfactor, agenderingstechnieken (ook voor het team), structurering van het klantencontact, omgaan met spitsuren en wachttijden, prioriteringstechnieken, delegatietechnieken.
► 11 april – Veranderingsmanagement (Utrecht)
Onderwerpen zijn: omgaan met weerstanden, strategieën met betrekking tot de voorbereiding op de verandering, twee methoden van managen, psychologische kenmerken van het veranderingsproces, wetmatigheden en valkuilen, omgaan met dwarsliggers en afhakers.
Meer informatie kunt u vinden op www.paofarmacie.nl
E-learning
-
Houdt u uw kennis up-to-date met de Trends?
Nu kunt u ook accreditatie-uren verdienen door de Trends Kennistoets te maken (2 accreditatie-uren per toets). U kunt ook een abonnement nemen; u betaalt slechts € 195,- voor 10 toetsen (20 accreditatie-uren)!
Heeft u al een abonnement op de Trends kennistoets afgesloten? Dan kunt u meteen starten met het maken van uw toets: klik hier voor de Trends Kennistoets.
*Redactie: Dr. F. Moolenaar, Farmacie, RU Groningen | Eindredactie; Rebecca Muller*
Wenst u deze nieuwsbrief niet te ontvangen? Laat het ons weten onder vermelding van uw naam en e-mailadres, via deze link.
|